Omschrijving
Het Castello Alfonsino, ook Castello Rosso of Castello di Mare genoemd, is de vesting op het eiland Sant'Andrea, bij de ingang van de haven van Brindisi. De naam Castello Rosso (‘Rode Burcht’) komt van de vermiljoenrode kleur van de blokken carparo: de burcht ontstond als voorpost ter verdediging van de haven en is door de zee omringd.
Het oudste, vijftiende-eeuwse deel volgt de grillige vormen van de rots. Binnen ligt een zaal met een wasbak met stenen omlijsting uit 1527; buiten staan twee bastions, een rond aan de landzijde en een driehoekig aan de kant van de open zee.
Het merkwaardigste detail is de kleine binnenhaven, die je bereikt via een boog in de muren. Aan de ene kant ligt het Aragonese kasteel met zijn portaal; aan de andere het Forte a mare, met een portaal versierd met wapenschilden en het jaartal 1609.
Het kasteel dankt zijn naam aan Alfons van Aragón, hertog van Calabrië. In 1481 besloot zijn vader, Ferdinand I, koning van Napels, een toren te bouwen ter bewaking van de haven, en Alfons voerde dat uit. Daarvoor stond op het eiland een benedictijnenabdij gewijd aan Sint-Andreas, die in de late middeleeuwen werd verlaten: er resten een paar kapitelen, die in het Archeologisch Museum Ribezzo worden bewaard.
Aan het Forte a mare werd 46 jaar gewerkt, van 1558 tot 1604, onder Filips II van Spanje: muren en bastions omsloten het grootste deel van het eiland, en een sleuf in de rots deed dienst als gracht.
In 1529 probeerden zestien Venetiaanse galeien de burcht aan te vallen en werden ze verrast door het pas geplaatste geschut. In 1799 belegerden de Fransen hier de contrarevolutionair Francesco Boccheciampe.
Later was het eiland lange tijd een lazaret en daarna een basis van de marine, tot een zware storm in 1984 de muren ernstig beschadigde.
Na een lange restauratie is het complex sinds 2021 open voor bezoekers en culturele evenementen. Het eiland is met een dam met de oever verbonden, en twee andere havendammen vernauwen de haveningang tot 250 meter.
Het oudste, vijftiende-eeuwse deel volgt de grillige vormen van de rots. Binnen ligt een zaal met een wasbak met stenen omlijsting uit 1527; buiten staan twee bastions, een rond aan de landzijde en een driehoekig aan de kant van de open zee.
Het merkwaardigste detail is de kleine binnenhaven, die je bereikt via een boog in de muren. Aan de ene kant ligt het Aragonese kasteel met zijn portaal; aan de andere het Forte a mare, met een portaal versierd met wapenschilden en het jaartal 1609.
Het kasteel dankt zijn naam aan Alfons van Aragón, hertog van Calabrië. In 1481 besloot zijn vader, Ferdinand I, koning van Napels, een toren te bouwen ter bewaking van de haven, en Alfons voerde dat uit. Daarvoor stond op het eiland een benedictijnenabdij gewijd aan Sint-Andreas, die in de late middeleeuwen werd verlaten: er resten een paar kapitelen, die in het Archeologisch Museum Ribezzo worden bewaard.
Aan het Forte a mare werd 46 jaar gewerkt, van 1558 tot 1604, onder Filips II van Spanje: muren en bastions omsloten het grootste deel van het eiland, en een sleuf in de rots deed dienst als gracht.
In 1529 probeerden zestien Venetiaanse galeien de burcht aan te vallen en werden ze verrast door het pas geplaatste geschut. In 1799 belegerden de Fransen hier de contrarevolutionair Francesco Boccheciampe.
Later was het eiland lange tijd een lazaret en daarna een basis van de marine, tot een zware storm in 1984 de muren ernstig beschadigde.
Na een lange restauratie is het complex sinds 2021 open voor bezoekers en culturele evenementen. Het eiland is met een dam met de oever verbonden, en twee andere havendammen vernauwen de haveningang tot 250 meter.