Omschrijving
De San Paolo Eremita is de grote gotische kerk van de franciscanen in het historische centrum van Brindisi, gebouwd tussen het eind van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw. Na een grondige restauratie in 2017 en 2018 huisvest ze nu het diocesaan museum: buiten heeft ze eenvoudige gotische vormen, binnen staat ze vol barokke altaren en middeleeuwse fresco's.
Het interieur is één ruim schip. Langs de muren volgen de barokke altaren met hun doeken elkaar op: op het altaar van Santa Maria, misschien van de hand van Zimbalo, hangt een Madonna del Carmine die wordt toegeschreven aan Alessandro Fracanzano, met de heilige Catharina, Paulus de Eremiet, de heilige Didacus en de familie Perez Noguerol.
Achteraan links in het schip hangt de Visitatie, in 1559 geschilderd door de adellijke Brindisiaanse schilder Jacopo de Vanis. In een nis in de noordmuur staat het houten beeld van de Madonna del terremoto, de Madonna van de aardbeving, uit de achttiende eeuw, dat als wonderdadig geldt.
Op de muren van het koor en op de zuidmuur komen fresco's uit de veertiende eeuw tevoorschijn: de Boom van het Kruis, de Madonna met Kind, heiligen, verhalen over Maria Magdalena en zelfs hoofse taferelen. Achter het altaar van de Onbevlekte Ontvangenis is een Dormitio Virginis, Maria op haar sterfbed.
De kapel van Sint-Franciscus werd gesticht door de Brindisiaanse geschiedschrijver Giovanni Maria Moricino, die naar alle waarschijnlijkheid ook het houten beeld van de heilige in Venetië liet snijden. In de sacristie staat een grote kast, in 1725 gesneden door plaatselijke meubelmakers.
De kerk staat op een strategische plek: hier lag de versterkte akropolis van de Messapische en Romeinse stad, later aangepast door Byzantijnen en Normandiërs. Langs de zuidelijke buitenmuur gelden de rijen bossagestenen van carparo aan de voet als een overblijfsel van die oude verdedigingswerken.
Toen het Castello Svevo werd gebouwd, verloor de oude burcht zijn functie en ging het terrein naar de franciscanen. Ook het huis van admiraal Margaritus, waar de munt van de Anjous gevestigd was, werd voor het klooster aan de broeders afgestaan. Kerk en klooster waren misschien in 1322 klaar, dankzij de vrijgevigheid van koning Robert van Anjou.
Begin negentiende eeuw dreigde de gevel in te storten: hij werd opnieuw opgetrokken en enkele meters naar achteren verplaatst. Het klooster werd later opgeheven, en een deel ervan werd de zetel van de onderprefectuur en daarna van de prefectuur.
Het interieur is één ruim schip. Langs de muren volgen de barokke altaren met hun doeken elkaar op: op het altaar van Santa Maria, misschien van de hand van Zimbalo, hangt een Madonna del Carmine die wordt toegeschreven aan Alessandro Fracanzano, met de heilige Catharina, Paulus de Eremiet, de heilige Didacus en de familie Perez Noguerol.
Achteraan links in het schip hangt de Visitatie, in 1559 geschilderd door de adellijke Brindisiaanse schilder Jacopo de Vanis. In een nis in de noordmuur staat het houten beeld van de Madonna del terremoto, de Madonna van de aardbeving, uit de achttiende eeuw, dat als wonderdadig geldt.
Op de muren van het koor en op de zuidmuur komen fresco's uit de veertiende eeuw tevoorschijn: de Boom van het Kruis, de Madonna met Kind, heiligen, verhalen over Maria Magdalena en zelfs hoofse taferelen. Achter het altaar van de Onbevlekte Ontvangenis is een Dormitio Virginis, Maria op haar sterfbed.
De kapel van Sint-Franciscus werd gesticht door de Brindisiaanse geschiedschrijver Giovanni Maria Moricino, die naar alle waarschijnlijkheid ook het houten beeld van de heilige in Venetië liet snijden. In de sacristie staat een grote kast, in 1725 gesneden door plaatselijke meubelmakers.
De kerk staat op een strategische plek: hier lag de versterkte akropolis van de Messapische en Romeinse stad, later aangepast door Byzantijnen en Normandiërs. Langs de zuidelijke buitenmuur gelden de rijen bossagestenen van carparo aan de voet als een overblijfsel van die oude verdedigingswerken.
Toen het Castello Svevo werd gebouwd, verloor de oude burcht zijn functie en ging het terrein naar de franciscanen. Ook het huis van admiraal Margaritus, waar de munt van de Anjous gevestigd was, werd voor het klooster aan de broeders afgestaan. Kerk en klooster waren misschien in 1322 klaar, dankzij de vrijgevigheid van koning Robert van Anjou.
Begin negentiende eeuw dreigde de gevel in te storten: hij werd opnieuw opgetrokken en enkele meters naar achteren verplaatst. Het klooster werd later opgeheven, en een deel ervan werd de zetel van de onderprefectuur en daarna van de prefectuur.